Als door de speer der stress gespietst, sperde ze haar ogen wagenwijd open. De morgen had zich ongeduldig aangediend en vermaande haar het slaapschip te verlaten. Stéphanie gehoorzaamde de wet van het ochtendgloren, die zo universeel over de mensheid regeert dat het haar deed twijfelen aan haar autonomie. Wat als ze nu eens een welgemeende middenvinger zou opsteken naar haar taken als loonslaaf en moederkloek? Als ze nu eens terug in dat bed zou kruipen en zich zou bedelven onder een lawine van troostende lakens? Ze trok haar chocoladebruine kamerjas aan en betrapte zichzelf op het mijmeren over een heerlijke reep Côte d’Or.
Ver moest ze niet wandelen naar haar victoriaanse badkamer. Dit weelderige vertrek is bekleed met een druk bloemenbehang dat verdwijnt in een lichtgroene lambrisering. Stéphanie leeft in een bungalow omwille van een panische angst voor vuur. Een simpele aansteker jaagt haar de stuipen op het lijf. Die ziedende natuurkracht van vuur, de verzengende hitte die het emaneert, de abruptheid waarmee een brand verwoesting veroorzaakt met zijn verstikkende rookpluimen was voor haar zo ontwrichtend dat het haar overtuigd had een bungalow aan te schaffen. Zo kon er tenminste geen brand ontstaan op het gelijkvloers terwijl ze klem zou zitten op het eerste verdiep.
Hoe zeer ze de spiegel tevergeefs trachtte te vermijden, op een gegeven moment kijkt zo’n spiegel een mens aan. Ze traceerde met haar vingers kraaienpootjes die weldra kraaienpoten zouden worden. Stéphanie zuchtte en mompelde: ‘al dat denken is blijkbaar een vruchtbare voedingsbodem voor rimpels.’ De zelfkritiek nam zoveel ruimte in dat ze niet eens opmerkte hoe volmaakt haar opgestoken haar in vorm was gebleven. Ze sliep immers rechtop met opgespeld kapsel zonder haar kussen een hoofd te bieden. Zodoende verloor het hoofdkussen zijn essentie, moest dat tot reflectie in staat zijn.
Een warm bad leek haar een goed surrogaat voor de geborgenheid van de dekens die ze vannacht genoten had. Stéphanie ontkleedde zich, dompelde haarzelf in dat zalige water en liet haar skelet, spieren en organen weken.
Plots voelde ze zich erg kwetsbaar. Dat had niets te maken met haar naaktheid, maar eerder met haar verleden. Twintig jaar lang had ze lief en leed gedeeld met een enigmatisch man die ze nooit heeft kunnen ontcijferen. Overal waar hij kwam liet hij een ijzige trek achter. Hij was zo communicatief als een gletsjer. Een diepvries met een hart. Ze had geleerd van die sneeuwman te houden en omhelsde hem regelmatig om de kilte te verdrijven, doch het resulteerde enkel in het verder wegsmelten van zijn emoties. Haar vuurvrees moet de vonk geweest zijn voor een verlangen naar kou, een onbewuste begeerte naar een vorst op het witte paard. Die vorst kreeg ze, alleen niet de vorst die ze zich had voorgesteld.
De ijspegel waarmee hij haar bezwangerde, schonk haar niettemin een warmbloedige dochter die een zaadje moed in haar hart plantte. Het duurde echter meer dan een decennium vooraleer de
moed als een pastinaak de permafrost penetreerde. Een scheve schaats van haar liefdeloze sneeuwman bleek het ijsblokje dat de emmer deed overlopen.
Haar tijdsbesef werd gereanimeerd door de badkraan die op het ritme van een secondewijzer lekte. Stéphanie klauterde uit de badkuip, droogde zich en kleedde zich aan. Ze verliet haar woonst om de brievenbus te ledigen.
Tot haar grote ontzetting was de buitenwereld veranderd in een surreëel ijsparadijs. Een laag sneeuw had zich tussen de kiezels van de voortuin genesteld als slagroom op een brésiliennetaart. Bomen kreunden onder het gewicht van dikke witte vlokken en geparkeerde auto’s leken haast futuristische ijssculpturen. Huizen waren vervangen door iglo’s. Stéphanie friemelde aan haar kasjmieren sjaal in een poging haar lichaamstemperatuur op peil te houden. Haar vingers verstijfden en haar adem stokte. ‘Is dit zijn nalatenschap? Zal ik sterk genoeg zijn om dit glaciaal tijdperk te overleven?’ De twijfel wekte een koude rilling op. Desperaat liet Stéphanie haar hoofd hangen, totdat een fonkeling in haar ooghoek de aandacht trok. Ze schermde haar ogen gedeeltelijk met haar hand en zag dat het licht niet van de zon kwam, ondanks de intense gloed. De bron bevond zich in het huis en scheen zich richting haar te verplaatsen. Bij elke stap dooide het ijs. Onverhoeds greep een kleine, buitengewoon heldere gestalte haar hand.
‘Niet bang zijn, mama.'
Hans Hendrickx
We nemen zo snel mogelijk contact op.
Je kan ons ook bereiken via 011/210654 of via hasselt@demens.nu